Veel debutanten komen met hun eerste boek zo rond hun dertigste. Jij bent een slagje ouder. Ben je pas laat met het schrijven van verhalen begonnen, heb je nog een hele stapel spookmanuscripten ergens in een doos, of heb je gewoon rustig aan gedaan?

Toen ik met enige ernst begon te schrijven, vlak na mijn twintigste, waren de grote zes – Hermans, Claus, Haasse, Mulisch, Reve en Wolkers – nog volop actief. Zij bezorgden me een wat overspannen beeld van het schrijverschap. De schrijver als omgevallen boekenkast. De schrijver als meningenmachine. De schrijver als genadeloze literatuurvernieuwer. Ik legde de lat nogal hoog, vond dat ik eerst heel veel moest lezen, schrijven, experimenteren met stijl, perspectief en dergelijke. Daarnaast ben ik van nature niet zo gehaast. Als vrienden vroegen wanneer ik nou eens ging debuteren, zei ik, om er vanaf te zijn: ‘Voor mijn veertigste.’ Toen Egidius Donker ra-ra boem-boem verscheen, was ik net negendertig. De gemiddelde leeftijd van een debutant is zevenendertig. Dus dat valt mee.

 

Heb je altijd aangekoerst op een bundel korte verhalen, of heb je ook nog pogingen gedaan om romans - of een ander genre - te schrijven?

Ik begon met verhalen die soms werden gepubliceerd in literaire tijdschriften, deed verschillende pogingen tot het schrijven van een roman en schreef tussendoor nog wel eens een verhaal. Van een koers was geen sprake. De meeste van die romanpogingen waren zo experimenteel dat ik zelf ook wel wist dat geen hond ze zou willen lezen. Maar dat maakte me niet zoveel uit, geloof ik. Het ging me om het experiment, het uitproberen van stijlen, vertelwijzen, het liefst zo ingewikkeld mogelijk. Toen ik over die experimenteerdrift heen was en rekening begon te houden met te lezer, herontdekte ik het korte verhaal. Ik begon weer in te sturen naar literaire tijdschriften. Dat had ik een paar jaar niet gedaan, ook omdat ik veel tijd stak in (werktitel), de kunstenaarsgroep die ik mede had opgericht. Aan een boek dacht ik niet. Dat kwam pas toen ik werd benaderd door een uitgever.

 

Je uitgever benaderde jou?

Ik kreeg een mailtje van Martijn David, uitgever van Mouria, dat onder meer literair tijdschrift De Tweede Ronde uitgeeft. Hij had de drukproeven van De Tweede Ronde gelezen en was blijven hangen bij een verhaal van mij. Hij wilde weten of er meer ‘in de pen zat’ en zo ja: of ik eens wilde komen praten. Nou, dat wilde ik maar wat graag. Hoewel ik ook aarzelde. Ik ken vrij veel voorbeelden van schrijvers die te vroeg debuteerden en/of slecht werden begeleid. Gelukkig bleek die angst ongegrond. Mouria gaf me alle tijd en stak ontzettend veel energie in mij en mijn boek.

 

Wanneer ontstond het idee om een bundel korte verhalen uit te geven? Was dat een idee van de uitgever, of had je dat zelf ook al een tijd in je hoofd?

Ik had een flinke stapel verhalen liggen. Dus het leek ons allebei wel praktisch om daarmee te beginnen.

 

Hoe ontstaat bij jou een kort verhaal? Is er een beeld, een stem, een personage dat zich ineens aan je opdringt? Je verhalen maken niet de indruk dat ze autobiografisch zijn, daarvoor zijn ze te gevarieerd – van personages, van setting, van sfeer. Waar komen al die mensen en situaties vandaan? Kun je een voorbeeld geven?

Dat verschilt nogal. Het verhaal ‘God voor een dag’ begon met een zin: ‘Marek, zo heette het monster.’ Daaruit volgde weer een andere zin, enzovoort. Een soort écriture automatique, zonder vooropgezet plan. Zo schrijven kost veel tijd, omdat ik voortdurend moet bijsturen en herschrijven. Het verhaal ‘Johnny, tu n’est pas un ange’ ontstond uit een wens: ik wilde de klassieke tragedie Alcestis verplaatsen naar het heden. Over dat verhaal heb ik lang nagedacht voordat ik begon te schrijven. Ik heb ook verhalen geschreven in reactie op een verhaal van een andere schrijver. Dan vond ik bijvoorbeeld de toon van een verhaal interessant en begon ik na te denken of en hoe ik die zelf kon gebruiken, wat voor personage bij die toon zou passen. ‘En geen zuchtje wind’ is daar een voorbeeld van. Of ik stelde me een situatie voor. Een schrijver die zijn voorleessessie begint met de zin: ‘Dit verhaal heeft een man gedood, zeg niet dat ik u niet heb gewaarschuwd.’ Hoe loopt dat af? Wat is er aan de hand met die schrijver? Zo ontstond het verhaal ‘Macht’. Daarnaast heb ik een voorliefde voor geschiedenis. Die vind je terug in het verhaal ‘Het aanzien van Nederland’.

 

Laat je je verrassen door je personages of door de situatie, zoals Ton Rozeman dat soms laat gebeuren?

In de eerste jaren dat ik schreef, liet ik me voortdurend verrassen. Mijn fantasie ging met me op de loop. Dat leverde uiterst vreemde verhalen op die niet uitblonken in begrijpelijkheid. Nu voer ik meer regie. Maar ik word nog steeds graag verrast. Een personage dat ineens grappigs zegt, een onverwachte wending. Ik heb graag het gevoel dat het verhaal me ontglipt. Niet te lang en niet te ver, want dan wordt het onbegrijpelijke onzin, maar net genoeg om het spannend te maken. Zowel voor de lezer als voor mij.

 

Tijdens de presentatie roemde je uitgever je enorme redigeerzucht. Het juiste woord, het goede ritme, de precieze beschrijving zijn voor jou blijkbaar van het grootste belang. Is dat ook waar je het meeste plezier aan beleeft – aan het oneindig pielen met woorden, het prutsen met stijl?

Dat heeft niet alleen met plezier te maken. Ik ben nogal perfectionistisch als het op schrijven aankomt. Ieder woord moet het best mogelijke woord zijn, en al die woorden moeten ook nog eens in de best mogelijke volgorde staan. Dat is soms wat vermoeiend, ook voor mijn uitgever. Maar het geeft veel voldoening als het lukt, als alles klopt. Ik maak er een sport van een personage in zo min mogelijk woorden neer te zetten. Zo puntig mogelijk. Maar ik beleef ook veel plezier aan het puzzelen met de plot, het spelen met de verwachtingen van de lezer of het verzinnen of opgraven van een sprekende anekdote.

 

Bij het lezen viel me op dat je verhalen allemaal niet al te lang waren. Echte korte verhalen. Geen Alice Munro, meer de korte variant van Raymond Carver. Waarom is dat? Of is dat gewoon omdat dit je debuutbundel is?

De verhalen die ‘werken’, die ik dus goed genoeg acht, schommelen tussen de 2.000 en de 3.000 woorden. Kennelijk is dat de lengte die ik nu beheers. Als een verhaal langer wordt, is het vaak te ‘vol’, dan leent het zich eerder voor een roman.

 

Hoe heb je het schrijven van verhalen zo onder de knie gekregen? Gewoon veel doen, of heb je ook cursussen gevolgd?

Toen ik begon met schrijven, waren er amper schrijfcursussen. En degenen die er waren, waren duur. Er werd ook wat schamper over gedaan. Onterecht, overigens. Zo’n cursus kan je ontwikkeling versnellen. Ik heb het mezelf dus geleerd. Door heel veel te lezen en te herlezen. En door te schrijven en te herschrijven, meters te maken, en te leren van mijn fouten.

 

Van welke korteverhalenschrijvers heb je zelf het meest opgestoken?

Michel Faber: dat je nooit voor het verhaal mag gaan staan, dat stijl dus altijd ondergeschikt hoort te zijn aan het verhaal dat je vertelt. Sanneke van Hassel en (de geredigeerde) Raymond Carver: dat je net zo goed moet nadenken over wat je weglaat als over wat je opschrijft. Vladimir Nabokov en W.F. Hermans: dat een goed verhaal de opbouw heeft van een knappe leugen. A.M. Homes: dat het net iets minder braaf kan. John Cheever en Haruki Murakami: dat je surrealisme het beste kunt verpakken in iets alledaags.

 

Je debuut kwam eind vorig jaar uit, en kreeg meteen goede kritieken, in Het Parool, in Trouw, et cetera. Komt daarmee een droom uit, of droom je stiekem nog van meer?

Met zoveel aandacht en welwillendheid had ik geen rekening gehouden. Verhalenbundels zijn nou eenmaal niet zo populair, in Nederland. Ik was dan ook zeer verguld. Maar dromen heb ik nog genoeg. Eentje dan: een verhaal schrijven dat de perfectie benadert (want bereiken is onmogelijk) van ‘The swimmer’ van John Cheever.

 

Wat zijn je plannen? Al weer bezig met iets nieuws? En wordt dat een roman, zoals de meeste uitgevers hopen, of ga je gewoon door met korte verhalen?

Ik wil ik nu wel eens een roman proberen. Niet zoals voorheen, gewoon maar een eind weg schrijven, maar volgens een vooropgezet plan. Ik heb een idee op papier gezet. Nu maar kijken of het wat wordt. Dat betekent natuurlijk niet dat ik het korte verhaal heb afgezworen.