Column voor Bijzonder Brabant Magazine, oktober 2008.
Och, was ik maar een Brabander
[column]
David Veldman
Sommige mensen treuren over de dingen die ze niet hebben gedaan – de berg die ze niet beklommen, het meisje dat ze verzuimden te kussen. Ik treur over iets fundamentelers. De plek waar ik niet ben geboren, de streek waar ik niet ben opgegroeid.
En het begon zo veelbelovend. In 1967 wijdde Den Bosch een overzichtstentoonstelling aan haar beroemdste zoon: Jeroen Bosch. Mijn toekomstige moeder, die in Zuid-Holland op kamers woonde, vroeg haar beste vriendin of ze mee ging, die beste vriendin wilde niet zonder haar echtgenoot en die echtgenoot dacht: weet je wat, ik vraag mijn jongste broer, die heeft niet alleen een rijbewijs, maar ook een auto.
Het was verlegenheid op het eerste en liefde op het tweede gezicht.
Ze hadden kunnen blijven, een huisje zoeken in Den Bosch of – beter nog – in een dorpje in de buurt, maar ze reden terug naar Zuid-Holland, trouwden en verhuisden naar een forensendorp onder de rook van Utrecht. Eindeloze rijen nieuwbouw. Ruitjesbroeken en Lacoste-polo’s. Nergens een café te bekennen. Dat is waar ik ben opgegroeid.
Als mijn ouders mijn scheppingsverhaal vertelden hing ik aan hun lippen. Brabant werd een magisch land. Wuivend graan, een landweggetje dat zich richting een beekje slingert, aan de horizon een trotse ommuurde stad. Al die geschiedenis. Hertog Jan I die bij Woeringen zijn tegenstanders verplettert, vervolgens een van die tegenstanders (Adolf van Nassau – inderdaad, een voorvader van Willem van Oranje) zonder losgeld vrijlaat gewoon omdat hij zo moedig heeft gevochten en daarna onder een boom een gedichtje gaat zitten schrijven. Jeroen Bosch die de monsters onder zijn bed op het doek vereeuwigt en natuurlijk het Rijke Roomse leven, met de hele familie naar de kroeg tegenover de kerk, het eeuwenoude carnaval. En daar kwam de Efteling nog overheen.
Maar ik besefte pas goed dat ik op de verkeerde plek ben opgegroeid toen ik jaren later, ik studeerde inmiddels in Utrecht, mijn eerste Brabander ontmoette. Ze kwam uit Oerle. In die contreien, wist ze me te vertellen, had Tijl Uilenspiegel nog rondgezworven. (‘Tijl Uilenspiegel?’ zouden mijn jeugdvrienden hebben geginnegapt. ‘Was dat niet de achterneef van Donald Duck?’) Daarna ontmoette ik een vrolijke jongeman uit Deurne, die me honderduit vertelde over zijn stamcafé aldaar, waar hij nog iedere donderdag naartoe treinde, net als zijn jeugdvrienden. De manier waarop die twee de W uitspraken, alsof ze een strook watten tussen onderlip en tandvlees klemden. De exotische uitdrukkingen. ‘Op rak.’ ‘Durske.’ ‘Zibbedeeske.’ De flauwe grappen: ‘T is wit en ’t staod in de wei?’ – ‘Witte gij ‘t?’ De verhalen. Met de hele familie naar ‘t carnaval, de zondagmiddagen in de kroeg, de drankovergoten familiefeesten.
Ik kreeg er heimwee van.
En die heimwee is nooit meer weggegaan.
Gepubliceerd in Bijzonder Brabant Magazine, oktober 2008.