‘Gelukkig nieuwjaar’ in De Tweede Ronde [verhaal]

Gepubliceerd op 1 mei 2008 om 12:10

In het verhaal ‘Gelukkig nieuwjaar’, gepubliceerd in De Tweede Ronde nummer 1 van 2008, beleven we het ongelukkigste moment in het leven van Michel, een journalist met een goed voornemen: hij wil stoppen met drinken. 

Gelukkig nieuwjaar

D.J.B. Veldman

[verhaal]

 

Michel is slechts minuten verwijderd van het ongelukkigste moment van zijn leven. Het is oudejaarsavond, vijf voor twaalf, hij zit moederziel alleen in zijn ijskoude eenkamerappartement op de bovenste etage van een gevaarlijk ver voorover leunend pand in Oud-West en leest de email die zijn hoofdredacteur hem een paar uur geleden heeft gestuurd.

Ontslag per direct, geen andere keus, in mijn plaats had je hetzelfde gedaan, bla-bla-bla.

Michel klikt op reply, tikt ‘Stop dat kloteblaadje van je maar in je dikke, laffe reet’ en drukt op send.

In de etalage van het boekwinkeltje tegenover staat een stemmig uitgelichte kerstman gemoedelijk te zwaaien naar een opgedoft jong stel dat vrolijk babbelend door de sneeuw ploegt, ongetwijfeld op weg naar een gezellig feestje met familie en/of vrienden.

Schrijf een artikel over kerst, dat was de opdracht. Wat er in staat, maakt niet uit, als het maar luchtig is, vol hoop en goede moed. Het was een ideetje van de marketingafdeling, die tijdens de feestdagen weer eens ouderwets uit wilde pakken, niet met een verontwaardigd Darfur-dossier, of een moedeloze bijlage over het klimaat; gezelligheid wilden ze, een knappend haardvuur, de warmte van familie.

‘Misschien,’ opperde Michel tijdens de redactievergadering, ‘is het leuk de lezer kennis te laten maken met de mensen áchter het tijdschrift. Ik bedoel: het persoonlijke verhaal is hot. Politici houden weblogs bij, schrijvers zweren massaal de fictie af...’

‘Geweldig idee,’ riep de marketingmanager, die hoogstpersoonlijk poolshoogte was komen nemen (het gebeurde hem net iets te vaak dat de redactie zijn goedbedoelde adviezen naast zich neerlegde). ‘Ik zeg: doen.’

Michel begon met zichzelf. Hij schreef over zijn ouders, die hij dertig jaar geleden, hij was vijf, heeft verloren - voor zijn ogen neergeschoten door een junk die vond dat ze niet snel genoeg hun portemonnee pakten - en over zijn vrouw, die hem verliet voor zijn beste vriend, over zijn zoontje dat hij nooit meer zag omdat zijn ex tijdens de voogdijzaak had verklapt dat hij troost zocht in de drank, hij schreef zelfs over zijn straalkacheltje, dat het had begeven en dat hij niet kon vervangen omdat hij, met de alimentatie en de woekerhuur die zijn tirannieke huisbaas vroeg, amper genoeg over hield om van te leven.

En daar doorheen vlocht hij de verhalen van zijn collega's. Marketingmedewerker Cécile die, toen ze klein was, geen kat kreeg omdat haar broer allergisch was, en die ervan overtuigd was dat dat de oorzaak was van haar bindingsangst. Redacteur Sijmen die, als hij een maand later was verhuisd, de postcodeloterij had gewonnen. Accountmanager Thiemo die zijn vriendin niet aan zijn ouders durfde voor te stellen omdat ze haar meteen zouden herkennen als dat snorremeisje dat zo meedogenloos was afgekraakt bij Idols.

‘Ik wilde onze lezers laten zien hoe goed ze het eigenlijk hebben,’ antwoordde Michel toen zijn hoofdredacteur wilde weten wat hem in vredesnaam had bezield.

Zijn hoofdredacteur beet op zijn onderlip, die wel wat weg had van een uitgedroogde naaktslak. ‘Door ze te vertellen dat hun lijfblad wordt gemaakt door een stelletje zielepoten?’

‘Het leek me wel een originele invalshoek.’

Michel opent het raam, steekt zijn arm naar buiten, reikt in de dakgoot, die ook dienst doet als koelkast, vindt een pak melk, een homp kaas, maar wat hij zocht, zijn laatste flesje bier, vindt hij niet. Hij gaat op zijn tenen staan, reikt nog verder, voelt iets hards, iets kouds, pakt het beet, maar het flesje is glad en zijn vingers zijn stijf van de kou, het flesje ontglipt hem, valt naar beneden, spat uiteen op het dak van een auto die op de stoep staat geparkeerd.

En daar is het dan, het ongelukkigste moment van Michels leven. Niet de dood van zijn ouders, niet het stuklopen van zijn huwelijk en het gemis van zijn zoontje, zelfs niet het verlies van zijn baan, of die kapotte kachel, maar een flesje bier dat te pletter valt op iemands auto.

Toegegeven, het is niet zomaar een flesje. Een van Michels goede voornemens is: stoppen met drinken. De drank heeft hem zijn kind gekost, en, als hij eerlijk is, ook zijn baan. Dat artikel waar iedereen zo over valt, was slechts een druppel in een emmer die tot de nok toe was gevuld met roezen die moesten worden uitgeslapen, dronken scheldpartijen tegen collega's en nog veel meer incidenten die hij liever zou vergeten. Eén laatste biertje zou hij drinken, precies om twaalf uur. En dan zou hij op teletekst kijken, om te zien of het staatslot dat hij had gekocht met het geld dat hij op drank had uitgespaard nog iets had opgeleverd.

En natuurlijk is het ook niet zomaar iemands auto. Het is de auto van Michels huisbaas. En Michels huisbaas is geen man die je tegen de haren in wil strijken. Goed, die smakelijke verhalen over zijn drinkgelagen met Willem Holleeder zuigt hij waarschijnlijk uit zijn dikke duim, feit blijft dat hij twee koppen groter is dan Michel, en drie keer zo sterk. Dat laatste heeft Michel meerdere malen aan den lijve ondervonden.

Michel graait stoffer en blik (om de scherven op te ruimen), blocnote en pen (om een excuusbriefje te schrijven) bij elkaar, grist zijn sleutels van tafel, holderdeboldert naar beneden, zwiept de verveloze voordeur open, en terwijl boven de stad het vuurwerk losbarst, sprint Michel naar buiten, hij ziet een gebroken flessenhals uit het linnen dak van de auto steken, zijn rechtervoet glijdt weg, zijn afgetrapte gympies zweven voor zijn ogen, gevolgd door de in felle kleuren uiteenspattende nieuwjaarslucht en met een doffe, resonerende klap landt Michels achterhoofd op het trottoir.

Michel verliest meteen het bewustzijn, wat jammer is, want precies op dit moment wordt, tijdens de finale van de staatsloterijshow, de letteren cijfercombinatie voorgelezen die op zijn lot is voorgeprint, en dat is nog niet alles, want twee straten verderop heeft zijn huisbaas in een bomvol café een roedel Hell's Angels beledigd, en er is nóg meer, want dat trillen in Michels broekzak, dat hem langzaam weer naar het land der levenden lokt, is zijn telefoon, en als hij nou eindelijk eens op zou nemen zou hij een bekend, slaperig stemmetje horen, het stemmetje van een jongetje dat om half twaalf is gewekt voor het vuurwerk en nu per se zijn papa gelukkig nieuwjaar wil wensen.

 

‘Gelukkig nieuwjaar’ verscheen in De Tweede Ronde nummer 1 2008. Martijn David, uitgever van Mouria, las het in de drukproeven en stelde een afspraak voor, wat leidde tot de verhalenbundel Egidius Donker ra-ra boem-boem (Mouria, oktober 2009), waarin dit verhaal ook is opgenomen. Het verhaal is in 2026 op twee punten aangepast.

Op dit verhaal rust auteursrecht. Tekst- en datamining zijn niet toegestaan.