In 2010 werd ik benaderd door redacteur Jelte Nieuwenhuis van L.J. Veen. Hij legde de laatste hand aan een bloemlezing over het studentenleven en de samensteller daarvan, Frank Heinen, was gestuit op het boekje Omtrend student, dat ik ooit in vijf weken schreef in opdracht van uitgeverij Novella. Frank was enthousiast over een aantal verhalen en wilde ze opnemen in de bloemlezing. Dat nooit, dacht ik. En schreef in een paar dagen het verhaal 'Werner'.
Werner
David Veldman
[verhaal]
Werner werd die ochtend in alle vroegte gewekt door drie mannen in spierwitte ruimtepakken. Ze zeiden niks, legden alleen een dubbelgevouwen brief op zijn hoofdkussen. Twee liepen met logge passen door Werners kamer, hielden even stil om de gaskachel met de mica ruitjes te bestuderen, overlegden geluidloos en waggelden weer verder. De derde bleef naast het bed staan, wijdbeens, de armen over elkaar.
Werner ging rechtop zitten en zocht zijn bril. Toen hij die had gevonden en met trillende handen op zijn neus had gezet, boog de man naast zijn bed voorover en tikte met een gehandschoende vinger tegen de brief.
Gehoorzaam vouwde Werner de brief open.
In kamer van bewoner, las Werner, was losgebonden, niet afgeschermd asbest aangetroffen. Bewoner werd verzocht heden zijn spullen te pakken en te vertrekken. Indien om acht uur morgenochtend niet aan dit verzoek zou zijn voldaan, dan zou een verhuisbedrijf worden geëngageerd om kamer van bewoner leeg te ruimen en diens bezittingen op te slaan in een container. De kosten van deze operatie zouden worden verhaald op bewoner. Was getekend: de rechtbank Utrecht.
‘Ja maar,’ zei Werner.
De middelste man maakte een draaiende beweging met zijn gehandschoende hand.
Werner draaide de brief om. Een artikel uit het Burgerlijk Wetboek, een Koninklijk Besluit de dato, een aanvulling op dat Koninklijk Besluit de dato, een Ministerieel Besluit de dato, een aanvulling op dat Ministerieel Besluit de dato…
De weinige spullen die Werner bezat, bewaarde hij handzaam verpakt in archiefdozen en verrijdbare kastjes. Altijd voorbereid op een verhuizing. Zo had zijn moeder het hem geleerd. Hij hoefde alleen nog zijn aluminium Rimowa-koffer te vullen met boeken en cd’s. Het vinden van een betaalbaar busje was lastiger. De rest van de ochtend en de vroege middag bracht Werner door aan de telefoon. Eerst vroeg hij offertes op, die vergeleek hij, en daarna kwam het onderhandelen. Pas om half twee was de zaak beklonken.
Tegen borreltijd druppelden de eerste huisgenoten het huis binnen. Werner zat, zoals iedere middag, al klaar in de keuken met een gekoelde fles Weissburgunder. Meestal liepen zijn huisgenoten meteen door naar hun kamer, maar deze keer schoven ze aan, een tikketje onwennig.
Toen Werner vroeg of er bij hen dan niks was aangetroffen, schudden zijn huisgenoten van nee, toen Werner vroeg of ze dat zelf ook niet vreemd vonden, varieerden de replieken van ‘Ja, nou je ’t zegt’ via ‘Best wel’ tot ‘Ja, gek eigenlijk.’ Even was het stil, toen zei Monica, met haar achttien lentes de benjamin van ’t huis: ‘Rot voor je.’
Werner beet op zijn lip.
‘Weet je al waar je heen gaat?’ vroeg Monica.
Werner schudde zijn hoofd. Hij wilde Monica geruststellend toelachen, maar zijn mond werkte niet mee. Hij had het zo goed gehad in dit huis. En het huis, of liever gezegd zijn huisgenoten hadden het zo goed gehad met hem. Hij hield in de gaten hoe laat ze thuiskwamen en met wie, vaak zwaaide hij even vanuit zijn deuropening, vroeg of ze een leuke avond hadden gehad en als ze iemand bij zich hadden, stelde hij zich netjes voor. Omdat de telefoon zich vlak buiten zijn kamer bevond, was hij altijd als eerste op de hoogte van de diepten en de dalen in het leven van zijn protegés en kon hij meteen eerste hulp bieden, soms deed hij dat al tijdens het telefoongesprek, bijvoorbeeld door een glaasje water of een zakdoekje aan te dragen. Hij had zoveel verhalen aangehoord, zoveel gebroken harten gemasseerd. Was dat nu allemaal voorbij?
‘Ach gut,’ zei Monica. Ze liep om de tafel heen, ging naast hem zitten en sloeg een arm om hem heen.
Werner vroeg zich af of dit een geschikt moment was om Monica te vragen hoe serieus het was met dat meisje dat ze van Afrikaanse dansles kende. Hij had geluiden opgevangen uit haar kamer, die naast de zijne lag, maar zelfs toen hij een limonadeglas tegen de muur had gezet en heel aandachtig had geluisterd, had hij niet kunnen bepalen of die vriendin en zij aan het giechelen of aan het vrijen waren.
‘We gaan een afscheid voor je organiseren,’ zei Monica.
Behalve een kuchje van Ernest, een verlegen student CKI die, wist het hele huis behalve Ernest zelf, voortdurend werd bedrogen door zijn vriendin, kwam er geen reactie.
‘Hoe lang woon je hier nou eigenlijk?’ vroeg Monica.
Sabine, studente rechten en dieetverslaafde, schoot in de lach.
‘Een jaar of achttien,’ zei Werner.
Monica keek hem met grote ogen aan.
Werner dacht aan zijn muurtje. Het diende om het stuk gemeenschappelijke tuin onder zijn raam af te scheiden van de rest. Wat hij ermee zou doen, wist hij nog niet. Misschien kon hij er rozen kweken, net als zijn moeder had gedaan, in Winterberg. Toen zijn vader er vandoor ging met z’n secretaresse, had zijn moeder de rozen met benzine overgoten en in brand gestoken. Als Werner de brandweer niet had gebeld, was het hele huis afgebrand. Vlak daarna waren ze verhuisd naar een troosteloze flat in Hannover, bewoond door een al even troosteloze man die graag wilde dat Werner hem papa noemde. Toen die relatie spaak liep, belandden ze in Heidelberg, vervolgens in Herne, Hamburg en Hildesheim. De stenen voor zijn muurtje bewaarde Werner onder een dekzeil in de schuur. Al maanden achtereen mengde hij iedere nacht cement en toog aan het werk. Pas vorige week was het een huisgenoot, namelijk Leentje, een verlegen studente filosofie, opgevallen dat er iets veranderd was.
‘Ik geloof niet dat ik dat goed vind,’ zei ze zachtjes.
Werner, die zich nog herinnerde hoe Leentje hem had aangekeken toen hij in een jolige bui beweerde dat Heraclitus zijn “Alles stroomt” had verzonnen tijdens een aanval van diarree, besloot niet met haar in discussie te gaan. Leentje leek hem geen blijvertje, waarom zou hij haar tegen de haren instrijken? En bovendien: zijn muurtje kon nog wel een half jaar wachten.
Toen Werner met de fles wilde rondgaan, ontdekte hij dat zijn huisgenoten naar hun kamers waren gegaan. Alleen Monica was achtergebleven.
‘Nog wat drinken?’ vroeg Werner.
‘Sorry.’ Monica lachte verontschuldigend en stond op. ‘Morgen tentamen.’ Ze boog licht voorover, alsof ze hem wilde kussen, Werner sloot zijn ogen en tuitte zijn lippen, maar er kwam niks, toen hij zijn ogen open deed, stond Monica weer recht, haar hand ferm uitgestoken. ‘Het ga je goed,’ zei ze plechtig.
Terwijl hij luisterde naar het tandenpoetsen van Monica, boven in de badkamer, keek Werner naar de poster van Einstein die hij tien jaar geleden had opgehangen om het halen van zijn propedeuse te vieren. Op Einsteins rechterwang was met rode viltstift een pukkel getekend, boven zijn grijze haren zweefde een gifgroen aureool.
Werner zuchtte. Zouden ze het wel redden zonder hem? Of zouden ze zich nog meer dan nu al het geval was in hun kamers opsluiten, zou het voortaan blijven bij een schuchter ‘Hoi’ in de keuken en een woedend briefje op de deur van degene die wederom zijn schoonmaakbeurt was vergeten. Werner kon zich niet voorstellen dat je zo kon leven. Zelfs als hij op vakantie was, meestal in het Oostblok, waar de vrouwtjes je eeuwig dankbaar waren voor een driegangendiner van een tientje, miste hij zijn huisgenoten al na een week.
Misschien was het beter zo. Zoals vroeger zou het toch nooit meer worden. Toen bruiste het huis van leven, er werd gezamenlijk gegeten en tv gekeken, je hoefde maar op de keukenvloer te stampen en er was feest en had je geen zin in feest, dan was er altijd wel iemand die bezorgd informeerde of het wel goed ging met je. Maar die tijd was voorbij, Werner was de enige die nog wist hoe het ooit was. De feesten kreeg hij niet meer van de grond, het gezamenlijke eten was al jaren een brug te ver en de enige die géén tv op zijn kamer had was Werner.
Werner schonk het laatste restje Weissburgunder in zijn glas.
‘Alles stroomt,’ zei hij tegen Albert.
Maar Albert zei niks terug, natuurlijk.
.
‘Werner’ is gepubliceerd in de bundeling Mijn studententijd. Verhalen over de mooiste tijd van je leven (2010), samengesteld door Frank Heinen en uitgegeven door Uitgeverij L.J. Veen.
Op dit verhaal rust auteursrecht. Tekst- en datamining zijn niet toegestaan.